Trio van Eden

Deel 1

In wezen was de slang al verdeeld in zichzelf voordat hij die morgen opstond. Oneens met zichzelf hoe hij te werk zou gaan, dacht hij, ‘alles is ons zo voorgekauwd, zo doorgedouwd, door onze strot gedreven, we slikken over het algemeen teveel. Ik kan dat niet helpen, geloof ik’, dacht de slang.
Het ontwaken van Eva was stralend. Zij omhelsde haar kussen in een innig gebaar. En daar had je het al. Dat gedoe van haar stuurde alles in het honderd. Het hele paradijs raakte in rep en roer, alle bomen trilden hevig en er stak een stevige bries op. Zo sterk was Eva bezig, dat zelfs God er van wakker schrok.
‘Zie niet weerom’, was Adams lijfspreuk geweest. Maar het tochtte deerlijk in zijn eenzame boomhut. Het vroor. Zijn meubeltjes kraakten. Grote onrust. ‘Waar is mijn gemoedsrust gebleven?’
"Zie het zinderen in het loof, doof de lampen van uw smachtende ziel, het geschiedt in een zucht, mijn kind. Je bent er geweest, het loopt ten einde, de roes is over, vakantie voorbij, je stamelt als een omvergeworpen dreumes, een losgelaten kind, je kijkt naar de lucht, speurt naar het teken dat je onmogelijk zult begrijpen, hetgeen kenmerk is van het ware, als je het gevonden hebt."
Zo ging dat, niet de mens bad tot God, maar God zond prevelementen aardwaarts, we ontvingen zijn woorden wisselend van genoegen, we verjoegen de storm, hingen hagelbuien te drogen aan de lijn en hielden niet op met onze bombarie.
De slang vermande zich moeizaam en sleepte zich listig uit zijn hol, sissend, slurpend met overslanke, gevorkte tong, afgaande op zijn neus, althans reukvermogen, sleepte zich de trappen af van de terp waar hij op woonde. Hij had de knoop doorgehakt en wist wel wat te doen, die dag, die zelfde gure, onheilszwangere ochtend.
Even voortvarend als zij de dag begonnen was, trillingen veroorzakend in de gehele toen bekende wereld, nam Eva schrokkerig in brokken het ontbijt tot zich, een kleine roze merel. Zij gunde zich geen tijd vandaag om uit het raam te kijken en zo ontging haar, hoe heel het woud rilde.
De slang had inmiddels haar woning bereikt, aarzelde, sidderde, durfde plotseling niet verder. Maar er klonk een donder, het weerlichtte, er was iemand daarboven die zich gelden deed. Hij dan riep, ‘vooruit!’.
Adam trok zijn schorsjas aan en huiverde. Hij besloot een eindje in de buurt te gaan hardlopen, om warm te worden. Halverwege de gebruikelijke ronde gleed hij uit en viel languit op zijn gezicht. Shit! Hij zwaaide met zijn vuist naar God. ‘Wat lapt U me nou?’
‘Pootje’, zei God met een lach. Hij werd plotseling weer ernstig. ‘Moet je horen, Adam...’
 

Deel 2

De slang, alzo voortgejaagd, drong Eva’s boudoir binnen, waar een vreemde atmosfeer hing. Van de ramen hingen stoffige raggen die het magere licht van de najaarszon schaars doorlieten. Schuifelende nam de slang plaats voor het raam. Lispelende sprak hij de vrouw aan.
"Het kan zo niet langer", zei God. "Sta op, Adam, er is werk aan de winkel. Wat is ‘werk’, wat is ‘winkel’, zul je zeggen. Nog aarzel ik hevig, maar wie ben ik? Dit gaat boven mijn macht. Anders legt Eva het je nog wel uit. Ze ontvangt juist instructies van iemand."
Omslachtig formulerend hield de slang Eva sidderend voor dat er Andere Tijden aanbraken. Het scheen dat hij dat zelf niet zozeer verzonnen had. Alles kwam voort uit Eva’s vreemde ontwaken die ochtend. Daar moest werk van gemaakt worden. Hoe moest hij het zeggen? "Ik moet zeggen, er is wat aan de winkel. Wat precies, dat weet ik zelf niet."
Eva schudde het stof uit haar blauwe kleed en sloeg haar blik ten hemel. Kleine tranen glinsterden in haar ooghoeken toen zij de slang strak begon aan te kijken, een steeds toenemende dwang uitoefenend op het dier om zich terug te trekken uit de kleine ruimte van haar slaapvertrek.
Buiten adem bereikte Adam op dat moment het hekje, trapte het met grof geweld open en stormde Eva’s boudoir binnen. "Te laat", mompelde hij en liet zich zuchtend in een zetel zakken.
De slang kwam later op de dag God nog tegen, aan de andere kant van het bos. "Het s-is s-geschied", zei hij slissend. "Wel verdraaid!", zei God en krabde zich achter zijn oor. "Die slag is voor jou!".


Jan Croonen, najaar 1997