De schuur

Na de thee begaf hij zich naar buiten. Hij liep naar het schuurtje. Hij opende de deur en liet deze openstaan terwijl hij naar binnenliep. Hij keek rond als iemand die dringend iets nodig heeft. Toch toonde hij geen haast. Het eerste wat bij hem opkwam was het woord rommel. Wat is eigenlijk rommel? Ongeordend huisraad? Verwaarloosd huisraad?. In onbruik geraakte spullen? De meeste dingen hier waren geen rommel op die manier. De driewieler misschien. Onderhand een stuk antiek te noemen, of klonk dat te duur? Was het niet gewoon een kwestie van vergeten worden? De driewieler was zo vaak vergeten bij de Grote Schoonmaak. Hij was een geval apart. Een erfstuk bijna. Hij kon mogelijk nog dienst doen, heette het telkens weer. De versleten lak liet nog sporen van zijn oorspronkelijke, rode kleur zien. De witte handvaten waren sterk verweerd, gedeeltelijk verdwenen zelfs, alsof iemand er hapjes uit had genomen. De flosjes die er ooit aan hadden gehangen, waren allang verdwenen. Het zadel was vernieuwd, omdat het vorige een scheve zit was gaan geven. De banden waren kruimelig en eigenlijk aan vervanging toe. De man haalde de driewieler uit de rommelberg en zette hem op een vrij plekje op de lemen vloer. Een kist die ooit tot zoiets als een radio had gediend, trok zijn aandacht. Baconieten knoppen, regelaars, loshangende draadjes, spiralende veren en touwtjes, spoelen, buizen, een wit uitgeslagen batterij. Geen antiek. Goed voor de volgende schoonmaak. Of was dat een te optimistische gedachte, gezien zijn eigen behoudzucht?

Zijn blik dwaalde weg van de rommelberg. Hij zag de kapstok die aan de muur hing. Zou je die ook antiek kunnen noemen? Er hingen wat oude jassen aan en een oude jurk. Een windvlaag kwam binnen door de deur en bracht de roestige hanglamp aan het zwaaien. De jurk gleed van de kapstok, de man raapte hem op en wilde hem weer ophangen, maar dat hielden de rafels niet uit. De man degradeerde de jurk tot poetsdoek. Hij deed hem in de rieten mand die onder het ene raam stond dat de schuur van daglicht moest voorzien. Door de stoffige ruiten kwam echter niet veel licht. In het stof dat een van de lage ruitjes bedekte was nog iets door een kinderhand getekend. Als je goed keek zag je zoiets als een lachende zon. Het houtwerk was verveloos en zacht, maar het stof bedekte alles met een alles vergevende deken. De blik van de man dwaalde naar boven. Hij zag spinnenrag, een web zelfs, een dikke kruisspin, vele vliegjes die in het rag gevangen waren. Alsof hij zich bekeken voelde trok de spin zich haastig terug uit het blikveld van de man. De zoldering bestond uit gebeitst houtwerk met planken, dwarsbalken, spaanderhouten panelen. Er waren hoekjes waar ooit zwaluwen nestelden. Als het hard waaide kwam er fijn stof naar beneden zweven en kraakten de balken. Maar lekken deed het dak niet, de schuur was stoffig maar droog.

Aan een van de balken hing een halfvergaan koord. Had daar niet eens een schommel aan gehangen? Er klonk geritsel. Muizen. Het rook naar aarde en een beetje naar een bos in de herfst met natte bladeren. De man verliet de schuur zonder om te kijken. Totdat hij voelde dat hij iets vergeten was, toen keerde hij zich om en ging de schuur weer in. De deur knarste in zijn hengsels. De lamp schommelde in de vlaag buitenlucht die met de man meekwam. Op de vloer stond de driewieler zoals de man hem had neergezet. Pontificaal in het midden. Hij pakte de oude zomerjurk uit de mand en scheurde er een lap vanaf. Hij begon langzaam, met grote concentratie, de driewieler op te poetsen. Brokjes roest vielen op de grond en werden deel van de stoflaag. Kleine stukjes van het frame en de spatborden waar de lak nog intact was, begonnen te glimmen. Na een poosje glom vooral het chroom van het stuurtje en de daarop gemonteerde spiegel. Deze was gebarsten en bestond uit twee scherven. De spiegelscherven lieten de man even, onwillekeurig, zijn eigen gezicht zien in twee, niet aaneengesloten fragmenten. In het ene fragment zag hij zijn lippen bewegen. Hij had zichzelf in geprevel betrapt. Het heeft iets pervers’, zijn eigen lippen in een spiegel te zien bewegen, alsof men voyeur is van zichzelf, maar nu had het helemaal iets pijnlijks voor de man, want hij had niet in de gaten gehad dat hij stond te prevelen. Hij zette de opgepoetste driewieler ondersteboven en controleerde de kettingspanning. Hij druppelde wat kruipolie uit een flesje op de stelmoeren. Morgen kon hij ze waarschijnlijk wel aandraaien, als de tijd zijn werk had gedaan. De driewieler kwam weer overeind te staan, half glanzend, half onherstelbaar dof, maar zonder stof of schimmel.

De man ging de deur weer uit. Hij aarzelde op het tuinpad, keek naar de lucht. Wolken met meiregen in een lucht waarin groeikracht hing voor akkers en tuinen. Een verdwaalde regendruppel trof de man juist naast zijn rechteroog. Zonder zijn zakdoek te pakken liep hij door en ging het huis gauw binnen.

Nijmegen, april 2005
Jan H. Croonen