Café Riva

 

Alsof je ze kunt pakken, zo handzaam
varen de schepen langs het stoepje van de kade
Op het terras gebeurt niets (hij heeft aan Oblomov gedacht)

De rivier die nooit dezelfde is
wentelt zich behaaglijk in de kronkelbocht achter de brug
Een vrachtwagen van Hanos Hogro doorkruist het beeld
Een jonge moeder fietst met één kind achterop
Een boot heet SOLO, zijn machinale dreun resoneert
in mijn buik en dan ben ik het die drijft langs de kade

Ik ga aan alles voorbij, voer slib mee dat bezinkt
in elke luwe bocht, iedere plaats van ingehouden verzameling

Langzaam verandert de vlieg in zijn tegendeel
en leert mij vliegen terwijl ik hem juist leer
aan de grond te staan

Over de brug een gele bus in de ene richting en een gele bus
in de andere richting en de spijlen zijn wit geschilderd
en een opschrift op het hoogste segment getuigt van de liefde
van een hoogteminnende held

Want ik ga, ik ga hier steeds dieper
dring mannelijk door de dingen heen met de stralen
uit mijn ogen, ik lees Brodsky en moet haast wel roken
als ik hem lees (als ik aan hem denk)

Je hoort zulke brave mannenstemmen komen
van de tafeltjes op het terras, de gepacificeerde werkers
slaven van de vrede, alle oorlog hebben ze ingeslikt

Bij Popov zit een jongen die ik vaag ken
Hij zit er naar de rivier te kijken links en rechts, best aktief
Een heel bijzonder geval van Oblomivisme

Toeristen rijden langs in auto’s
en bussen (Hofland tours; oude Hagenaars)
:maken ons tot stoffering van hun schilderachtig uitzicht, vreemd

Deze boot heet CURATA

Is superieur nog aan de dichter
de man die daar zit en niets doet
dan kijken, alles goed keurend,
eenvoudig, fantastisch en lichter dan ijs?
 
 

Een gevechtspauze voor den donder
er waren woorden die niemand begreep
men stamelde onwijs van een wonder
‘dat is van het leven de kneep’

Eenvoudigen beproeven hun geluk
en vermengen de sfeer van stelletjes
(theelichtjes, theemutsen, dressoirs)
met monomaan gebrom, broodnodig

Meer werd de tekst een avontuur
in de avond, het was guur
 

Ik keek naar een vrouw
haar bleke, fijne gezicht
gaf me nieuwe ogen
vol vergenoegdheid
om het nu weer zo opwindende
gezicht op de Waal

en toen zij weer was heengegaan
voelde ik waar ik niet meer tegen kan
en keek en zag geen Waal
zoals gewoonlijk hier
zag de opgehoogde dijk aan de overkant
en zocht mijn bittere tranen
tevergeefs terug in mijn zakdoek
 

ik zag kalme tevredenheid
en vloekte
 

Jan Croonen
Ma. 1 sep 1997