Geerten Meijsing: Tussen mes en keel

Over een man die depressief (niet gek) en suïcidaal wordt, maar ook zijn kennissen en m.n. zijn ex-vriendin vreselijk onder druk zet. Die man is de schrijver zelf. Uitgebreide beschrijving van zijn verblijf in een PAAZ maakt veel goed, want zijn filosofieën kunnen mij in het algemeen niet bekoren. Over de psychiatrie is hij best positief – het lijkt ook allemaal vrij goed afgelopen met zijn crisis.

Voor het weekend in drie dagen Geerten Meijsing’s 400 pagina’s Tussen mes en keel gelezen. Tegelijk boeiend en weerzinwekkend. Zodanig dat je als lezer in een niet zo lekkere positie lijkt gemanoeuvreerd (sensatie?). Goed geschreven, dat is zeker – feitelijk de eerste van hem die ik in een ruk uitlees, preciezer: überhaupt uitlees. Dit is natuurlijk maar een ruwe, eerste indruk.

Nog staat ongelezen in mijn kast zijn 358 pagina’s tellende roman Michael van Mander, gepubliceerd onder het pseudoniem Joyce & Co (wat dus geen collectief van schrijvers is!). Ook de overige twee boeken van zijn Erwin trilogie, hoe schitterend ook qua uitgave, kreeg ik niet uit. Ik vond Geerten Meijsing over het algemeen niet zo’n boeiende schrijver, met alle vertoon van eruditie en stijl-kunstgrepen kwam het allemaal weinig doorleefd over. Tussen Mes en Keel is dan wel iets heel anders.

Twee tradities sluit dit werk op aan. De traditie in de Nederlandse literatuur om ernstige pogingen te ondernemen, in de romankunst een degelijke, filosofische onderlaag aan te brengen. Verder de traditie van deze tijd, om het eigen leven quasi-journalistiek te beschrijven. Beide tradities zijn in het oeuvre van Connie Palmen vertegenwoordigd en evenzeer in Geerten Meijsings nieuwste. Van Palmen alleen de Wetten uitgelezen, waar ik eerder knappe psychologie in aantrof dan belangwekkende filosofie. Alleen al om de vergelijking verder te kunnen trekken, wacht ik echter gretig het moment af dat de hausse voorbij is en de tientallen exemplaren van I.M. in de bieb weer gewoon, zonder reserveren eens mee te nemen zijn. Er is nog een derde draad die voor mij belangrijk is: het thema zelfmoord, inzonderheid zelfmoord in filosofie en literatuur.

Toen ik pas studeerde heb ik al eens het boek van A. Alvarez doorgewerkt, de Wrede God. Dat de Romeinen zelfmoord haast al te gemakkelijk goedkeurden, dat de eerste Christenen zo graag de marteldood stierven dat het op zelfmoord ging lijken en dat daar een reactie op volgde om zelfmoord tot een zwaar taboe te maken. Op het eind van het boek, waarin ook uitgebreid op zelfmoord in de literatuur wordt ingegaan (o.a. bij Sylvia Plath), bekent Alvarez dat hij het mede heeft geschreven, omdat hij zelf, zeg maar, depressief was geweest. Hij trekt dan een soort conclusie: dat je er beter over kunt filosoferen en schrijven dan het zelf echt doen. Teleurstellend slot vond ik dat. Net als in dat andere grote werk over dit thema...

De laatste deur van Jeroen Brouwers. Dat gaat specifiek over schrijvers die zelfmoord pleegden, zoals Joti van ’t Hooft. Bijna een encyclopedische aanpak, met een zekere drang naar volledigheid. Toch komt ook deze schrijver tot de slotsom “dat hij het zelf nooit zal doen”. Had dat maar weggelaten, denk ik dan. Wie het doet vertelt het niet na, dus wat zijn zulke woorden waard?

Nu, dan moet je Geerten Meijsing toch nageven dat hij in zijn boek nergens een greintje afdoet van de legitimiteit van zijn zelfmoordwens. Ook al liep het anders af, en niet al te beroerd, dankzij de moderne psychiatrie en medicijnen – denkt hij zelf tenminste.
Nog even iets over filosofie. Natuurlijk denk je dan ook aan Albert Camus. In zijn essays (Koninkrijk en Ballingschap) stelde hij o.a. dat zelfmoord het enige filosofische probleem is. Het thema van de metafysische opstand heeft hij indringend beschreven. Jong gestorven, niet door eigen hand is Albert Camus. Toevallig?

Nijmegen, mei 1998

Jan Croonen