Krol over Kellendonk 

of: een interpretatie van het Tweede Gebod

Vijfde Kellendonklezing in de Aula Major van de Katholieke Universiteit Nijmegen
maandag 17 februari 1997

pasfoto Frans Kellendonk

Om vier uur stroomt langzaam de zaal vol, met zijn comfortabele lichtgrijze fauteuils met motiefjes in pasteltinten. Het laatst worden de eregasten op hun plaats gezet, die in een stoet binnenstroomt alsof, sorry dat ik het zeg, hier een begrafenisdienst wordt gehouden. 

Een sfeer waar het optreden van Krol niet in misplaatst is, want deze verlegen noordeling kijkt nauwelijks op van het papier waar hij zijn lezing schijnbaar letterlijk van opdreunt. Alsof mensen aankijken te brutaal zou zijn, improviseren ongepast. Maar eerst heet Inez Uertz ons welkom. Zij is van Studium Generale en woordvoerster van het organiserende comité. Zij heet ook wethouder Wellen welkom, en geeft door dat burgemeester D’Hondt zich laat verontschuldigen. Evenals de vier voorgaande jaren is de moeder van Kellendonk aanwezig. 

Na de lezing zal gelegenheid zijn, een uitgave van alle vijf lezingen te kopen.
In Het Complete Werk van de in 1990 gestorven, Nijmeegse schrijver Frans Kellendonk staat een lang essay dat "Idolen" heet, met als ondertitel: "over het tweede gebod". Hierin staat de zinsnede waar deze lezing aan is opgehangen: de kunst van het onechte. Verder geeft Kellendonk een originele lofzang op de ironie, ook daar zal Krol op ingaan in zijn lezing, die precies een uur duurt. Voor wie het vergeten is, het tweede gebod luidt "Gij zult u geen gesneden afgodsbeelden maken". (Tenminste, zo heb ik het geleerd, JC)

Wat betekent dit nu voor de kunst? Kunst die autonoom wil zijn, maar tegelijk ook levensecht. Literatuur is, in de woorden van Kellendonk, "schilderen met de pen", het gaat om de beelden die door de woorden worden opgeroepen. 
Krol geeft een voorbeeld. De Zwitserse schrijver Robert Walzer beschrijft in zijn boek "De Bediende": een vlag die aan een mast hangt, alsof het een  vrouw is. Krol leest deze passage voor en zegt dan dat het mooi beschreven is, en waar. Van zo’n passage zeg je dat ie waar is, iets wat je van een filmscene nooit zou zeggen. Waar kan alleen een (beeldend) woord zijn. Naast waar is dit ook een goede beschrijving, want hij geldt voor alle vlaggen.

Wat kan "opzettelijk onecht" (dixit Kellendonk) toch betekenen? Het streven in de literatuur om afstand te nemen van de feiten is duidelijk. Dat is juist het onderscheid van de journalistiek. Een verhaal is mooier, zonder feiten. Verder zien wij vlaggen sinds Walzer’s beschrijving nooit meer hetzelfde, altijd met de associatie met vrouwen: Walzer ontdekte een natuurwet.

Vergelijk ook de fantastische verhalen van Bordewijk. Het beeld van "een staaf van regen" is zo raak getroffen dat de lezer vandaar af aan verleid kan worden tot een zeer onwaarschijnlijk verhaal. Niet het beeld is onecht, maar de woorden zijn het wel. Een mooi verhaal is altijd geloofwaardig. Waargebeurd is eenmalig, dat hoort tot de journalistiek. Schoonheid is eeuwig, daar streeft de literatuur steeds naar. 
In de jaren zestig werd een controversiële mengvorm van literatuur en journalistiek uitgebracht: In Cold Blood van Truman Capote. Als er foto’s bij hadden gestaan had de balans naar de journalistiek doorgeslagen, stelt Krol. Als ironisch commentaar, en een soort vormexperiment heeft Krol in de uitgave van zijn roman De ziekte van Middleton daarom wat foto’s laten afdrukken.

Ironie. In veel leerboeken over literatuur en schrijven wordt daar voor gewaarschuwd, maar Kellendonk steekt juist de loftrompet over dit stijlmiddel, en Krol valt hem hierin bij. Ironie opent alle deuren. Kierkegaard roemde al de zeldzame overtuigingskracht van ironie. Ironie brengt een voorname toon aan, hij is chique. Dichters stoppen hun emoties altijd in dingen die zelf geen emoties kennen.

Tot slot verdedigt Gerrit Krol het nut van de logica aan de hand van een uitspraak van Wittgenstein die deze deed in de derde fase van zijn filosofische ontwikkeling, een paar weken voor zijn dood. "Stellingen worden vaak op de grens van logica en empirie gedaan (...)" En uit zijn slotsamenvatting heb ik opgetekend dat Kellendonk een pleidooi hield in het essay dat vanmiddag besproken werd voor "kunst die zich als kunst laat kennen", zoals een schilderij "dat laat zien dat het uit verf bestaat".

Oprecht veinzen, noemde hij dat ook wel. Hier zou gemakkelijk nog een uur over kunnen worden gepraat, peins ik terwijl de stoet eregasten alweer de zaal verlaat, waarna het publiek nog even gezellig in de rij gaat staan om wat folders van Studium Generale te bemachtigen (gratis) en/of de lustrumbundel met alle teksten van de Kellendonklezingen (twintig gulden).

Jan Croonen