Het vrije veld


Tegenover mijn kamer in Oost woonde Cor, die mij later regelmatig boze brieven zou sturen, omdat hij zich bij mij niet uit de verf voelde komen, hoewel hij van mijn huiselijke gezelligheid met volle teugen kon genieten, want dat had hij in zijn jeugd erg gemist, die thee-met-een-koekje-ceremonie plus gastvrije sfeer waarin avonden gezellig zijn. Hij viel een keer tegen me uit en zei,
- Een worsteling op het vrije veld! Of we vechten het uit, of we gaan uit elkaar.
Onze pogingen tot stoeien vielen faliekant uit. Ik herinner me een keer in Delft op een wandeling tijdens een vakantie, we kenden elkaar nog niet zo lang, ik por Cor zachtjes in zijn zij, hij draait zich opzij en legt zijn handen bliksemsnel in een sluitende wurggreep om mijn nek. Ik geef me acuut over - einde gevecht. Het was het einde van meer dan alleen een gevecht! Ik voelde me zeldzaam gekwetst, op een manier die ik nog niet kende. Cor legde later nog uit dat hij in de armoedige en gewelddadige buurt in Maassluis waar hij opgegroeid was, eens ontdekt had, dat dit de manier was om aan al het gedonderjaag een einde te maken. Het was natuurlijk niet sportief, maar wel snel en gemakkelijk, zei hij. Toch bleef hij nog jaren om dat gevecht op het vrije veld zaniken. Alsof ik daar nog enige lust toe kon hebben. Alsof we daar geen definitieve variant van hadden meegemaakt die alle volgende toernooien overbodig maakte. Vreemd te bedenken dat we na die aanslag nog jaren met elkaar omgingen alsof we vrienden waren, elkaar ook wel degelijk een soort gezelligheid te bieden hadden, maar in wezen eerder elkaars vijanden waren.
Gezellig met vijanden onder elkaar? Tussen ons de kloof soms die zo diep de standen verdeelde in onze vijftiger jaren-jeugd. Zowel vanwege de godsdienst, waar Cor onkerkelijk, maar in een protestante omgeving was opgegroeid, als de beroepsgroep van onze vaders, die van hem was een randstedelijke arbeider geweest en de mijne ingenieur. Voor Cor was ik de Andere, op mij projecteerde hij een romantisch ideaal, maar solidair zijn met mij kon hij niet, bijvoorbeeld niet als het om de meisjes ging. In schril contrast met wat ik vroeger met Gerard had ervaren, was het tussen hem en mij je reinste competitie op dat vlak - ook op andere vlakken, trouwens. Overeenkomstig was de interesse in de vriendinnen van elkaar, maar de basisafspraak tussen mannen om van elkaars bezit af te blijven was en werd tussen Cor en mij nooit gemaakt. Het viel hem eerder op dan mij, en hij had dan ook eerder door dan ik, dat wij met al onze gezellige avonden in werkelijkheid geen vrienden waren. Zo heeft hij het op een gegeven moment gezien, en haast meteen verteld aan me. Vreemd is die openhartigheid weer wel, als je denkt dat we eigenlijke vijanden waren.

Lena was een meisje van zeer met de mijne overeenkomende statusachtergrond, haar vader was ook ingenieur. Cor heeft een verhouding met haar gehad. Menage a trois. Mijn meest zusterlijke vriendin, opgedaan in mijn eerste mentorgroepje. Mijn strijdlustige vriend. Ik in mijn door velen als onaanspreekbaar, onaandoenlijk ervaren attitude van die tijd. Zo betraden wij deze scène.
Lena, eigenlijk stelde ik geen belang meer in haar, als veroverbare vrouw. We hadden een hele geschiedenis achter de rug, die al met al platonisch was gebleven. Toch haatte ik haar nu. Hoe was het tussen ons begonnen? Wat hadden we niet allemaal meegemaakt met elkaar? Veel wat ik eigenlijk liever zou vergeten. Veel wat zij schijnbaar achter zich aan het laten was. Wat het ook was van haar met Cor, ze deed iets met haar leven, haar kansen op geluk. Ze ging naar Gestaltweekends. Ze was jaren lid van een Gjurdijeffgroepje. Een etherisch wezen, met haar Indische jeugdjaren in de tropen achter zich vol geheimzinnige wouden en Stille Kracht - zo althans leerde ik haar kennen. We waren achttien. Als ik bij haar was voelde ik me gemeenlijk een lomperik, als een relatieve botterik. Dat had ik verder eigenlijk bij niemand. Zij heeft mij wel genoemd, misschien op heel andere gronden, een iezegrim. Ze was vol verachting voor mijn voedselbereiding, wanneer ik mijn gezelschap had bereid: Hollandse stamppot. Wij hebben eigenlijk nooit anders gedaan dan gevochten met elkaar. Tegelijk diende zij mij tot steun en toeverlaat, ja, mijn laatste strohalm is zij wel eens geweest in mijn miserabele eenzaamheid en alom vastlopen in wat ik maar deed.
Rivaal Cor, rivale Lena. Dat laatste lag veel meer voor de hand dan het eerste. Lena had ik in die tijd weinig contact mee, maar wel miste ik nu ineens mijn gezellige avonden met Cor - zolang diens verliefdheid duurde. Of ik zocht hem, zoals gebruikelijk was, spontaan eens op als ik van boodschappen doen in de stad terugkeerde; dan trof ik bij hem Lena aan, waren ze net met elkaar naar bed geweest op dat kleine kamertje van hem, waar de lucht voornamelijk naar het ozon rook, waar Cor's speciale 'ionisator' dag en nacht voor zorgde. Je kunt niet zeggen dat ik ze niet kon 'luchten of zien' in die tijd - tegen hun lucht heb ik alvast geen enkel bezwaar gehad. Zij gaan naar bed met elkaar, en ik ben het kind. Plotseling (weer) van al mijn verantwoordelijkheden ontslagen. Zij doen maar, ik merk het wel. Wie veracht de ander of de anderen het diepst? We zullen zien. Hoe kon ik haar misgunnen wat ikzelf haar niet bieden kon - of wilde? Ik had hier allemaal weinig tegen in te brengen. Lena nam Cor van me af. Maar ze knipoogde erbij - heb ik dat niet gezien? Welke sociale stand is sterker, hoe is de score momenteel? Lena knipoogt naar mij over Cor's schouder, of verbeeld ik me dat maar?
Lena was een jaar jonger dan ik, had niet gedoubleerd op haar gymnasiumopleiding, ze had alfa gedaan, en was daarom eveneens in 1972 op het psychologisch lab aangekomen om daar te gaan studeren, net als ik en ons hele groepje. Bedeesd, blozend, hoofd in de wolken, zweverig typje was Lena - die naam van haar alleen al. Dat alles werkte weinig in de hand dat zij als vlot overkwam. Ik daarentegen cynische jongeman, dominant in daverende discussies aanwezig, vooral in groepjes kleiner dan drie. Een keer op een winterse namiddag, het was al donker, liep Lena met me op, haar gele fiets aan de hand - lekke band. Meisje zoekt iets bij me, herkende ik de situatie. In de wandelgangen was ze verlegen en stil, we kenden elkaar nog nauwelijks, al voelde ik wel een soort verwantschap, die met haar schuchterheid te maken had.
Ik was toen nog de vriend van Josje, en had nog geen idee hoe snel dat voorbij zou zijn - binnen een half jaar. Ik voelde me verleid tot bigamie, eigenlijk. Nooit zou ik daar daadwerkelijk aan toegeven, maar de gedachte alleen al gaf me schuldgevoel genoeg, allemaal zwarigheid waar Lena heus niet om gevraagd had, ik geef het toe, ik zal het nu maar eens inzien onderhand. Van meet af aan was ik ten onrechte boos op dat meisje.
Gevochten als wij hebben. Kleiner zusje? Groter zusje. Lena is mij voorbij gegroeid. Vanaf die scène op Cor's kamer. De tragedie met een knipoog. Krachten werden gemeten. Wie was ontspannen, helemaal zichzelf in die situatie - wie waarde zelfverzekerd rond waar ze ging? Dat was Lena. Aan haar gedrag was misschien van alles aan te merken - mijn verontwaardiging richtte zich nu eens tegen dit avontuurtje voor haar dat voor mijn vriend veel meer leek te betekenen dan dat, dan weer tegen het blote feit dat zij Cor's tijd en aandacht opeiste - maar stiekem was zij zeker niet.
Cor beschouwde onze vriendschap als, tenminste tijdelijk, opgeheven. In iets triomfeerde hij. Zijn ogen opengesperd als bij een geestdriftige kleuter keek hij me... schaamteloos aan. Die overwinning stond alvast op zijn naam.
Zij slapen met elkaar, ik slaap met niemand, ik ben hun kind, ik zou eventueel hun huisknecht kunnen zijn, zoals Dostojewski ergens de fantasie van een afgewezen minnaar zo openhartig beschrijft in 'de Gebroeders Karamazov' en zoals ik gefantaseerd heb vanaf mijn vroege jeugd. De machtige moeder bevredigd zien is mijn grootste geluk - daar DIEN ik voor.
Ik had een keer getript op LSD toen ik naar Lena ging. Ze kwam net van onder de douche vandaan. We gingen hand in hand naar de stad, dankzij haar bevlieging dat een mens zich lichamelijk vrij als een kind moet voelen, of zoiets, wat het thema was geweest van een of ander weekendtrainingskamp van Gestalt-psychologen of dergelijk volk. Bij Nijmeegs Jopie kocht ik een pet en zij een kussen. We daalden af naar de Waal. Daar werd ik helemaal in beslag genomen door de fel-oranje boeien. Op dat moment verloor ik elk contact met Lena - daarom herinner ik me dat zeker zo scherp. De fel-oranje boeien, daar gleed Lena`s belangstelling volkomen langs heen, ze zeiden haar niets, die scheepsnavigatieinstrumenten, ik beleefde de rest van de trip helemaal op mijn eentje, al liepen we nog, los van elkaar, terug naar de Franse straat en al zette ze nog een potje kruidenthee en brandde ze nog een staafje wierook, voor ik heenging.

Nijmegen, najaar 1995-najaar 1997 (inzending voor de Nijmeegse Literatuurprijs)
Jan Croonen