Ik had het al verwacht. Dat ik het al na twee weken merk, verrast me toch. Hoe de afwezigheid van storende buur-geluiden mijn geest verlicht. Want die storende geluiden zoals in de vorige woning, hoor ik beslist niet meer. Natuurlijk is er wel eens een conflict binnen het kinderrijke gezin boven mijn hoofd, of slaat het hondje dat naast me woont onredelijk fel aan. Als ik op mijn terras zit hoor ik de A1 nadrukkelijk en soms bewoners van belendende balkons in hun conversaties - en altijd wel ergens spelende kinderen. Binnen mijn huis hoor ik bovendien naargelang mijn instellingen gematigd tot veel geruis van de luchtverversing. Maar dat mag allemaal geen naam hebben. Het is niets vergeleken met wat me vroeger constant stoorde.

En het was meer dan storen. Het haalde me geestelijk omlaag. Door de niet te bevechten invasie van mijn auditieve territorium, voelde ik mij chronisch gekleineerd. Het telde op tot een gruwelijke totaalsom: overdag, afhankelijk van het seizoen vooral binnen of buiten, hoorde je het geluid van akelige Antoon die op barse toon de toestand van de rozen met zijn vriendin besprak in lange uitgesponnen monologen in plat Nijmeegs, afgewisseld met joviaal groeten naar de andere kant van de straat; als er even niets te zeggen of te roepen viel ging hij over op al even lang uitgesponnen, halve melodietjes die 70 jaar geleden populair waren en die hij op valse toonhoogte en met veel valse lucht ten gehore bracht. Die valse lucht was vanwege Antoon’s in jaren niet meer nagekeken, scheefgekauwde kunstgebit. De valse toonhoogte was de kinderlijke dwaling van vroeger ooit, die nimmer door liefdevolle ouders of fijngevoelige onderwijzers was gecorrigeerd en daarom was verhard en onveranderlijk was geworden, die toestand die zo typisch in achterbuurten de mensen van jongs af aan tekent en misvormt. Dat was overdag. ’s-Avonds zette het bejaarde stel hun televisie meestal vrij hard, hetgeen door het plafond van bordkarton bijna ongetemperd bij me doordring, zodanig dat ik mijn eigen tv dan maar uitzette, omdat ik die niet meer kon volgen.

 

Dit was wel frekwent en hevig storen van... Ja, wat werd er eigenlijk gestoord? Ik kon slechts vermoeden wat ik zonder die zieklijke aanwezigheid van buren waard kon zijn. Ik kon wel al voelen dat het me -iedere dag- omlaag haalde.

 

Ik ben iemand die over straat kan lopen of fietsen en dan niemand om zich heen opmerkt. Er zijn mensen die dan denken dat ik verwaand ben, maar dat is het niet. Het komt omdat ik diep in gedachten verzonken ben. Hoe dieper, hoe hoger. Hoe dieper in gedachten ik ben, hoe hoger mijn geest omhoog fladdert, ijle hoogten bereikend waarin misschien niet zoveel realiteit meer is, alles verbeeldingskracht, geen gewicht, alles als muziek in ongehinderde beweging, een vlinder op een zomerse dag. Deze zalige en creatieve toestand is zo makkelijk te verstoren. Niet door ravottende kinderen, onverwachte gevaren op de weg, donder en hagel of zeer sterke wind. Wel door harde stemmen die doordreunen in mijn eigen huis.

 

Wie weet is het wel gevaarlijk, de vrijheid die ik nu ervaar om dieper weg te dromen. Of zal het heel vruchtbaar zijn? Het is een spannend avontuur. Het is net als met ontwenning van allerlei genotmiddelen: ineens ben je er vrij van en dan heb je tijd over. Tijd om je te vervelen, boeken te lezen, films te zien, piano te spelen of de wereldrevolutie voor te bereiden. Of om gek te worden, wie zal het zeggen?