De dood zwerft over straat

Op weg naar het Riagg-gebouw aan de Oranjesingel ontwaarde ik een haveloze gestalte. Ik houd er niet van nodeloos te laat te komen en zou normaal gesproken aan zo'n zwerver niet de minste aandacht hebben besteed. In dit geval had ik ook nog eens geen tijd te verliezen, zo leerde me mijn Icarus-horloge. Toch was er iets aan deze figuur dat mijn blik aan hem deed vasthaken. Omdat mijn leven mij te lief is om het om de haverklap in de waagschaal te stellen, stopte ik voor het rode stoplicht op de Graafseweg ter hoogte van de kruising met de Burghardt van de Berghstraat. De oude man schoof langzaam vanuit mijn ooghoek naar het centrum van mijn blikveld. Er ging een schok door me heen. Het was de oude man!

Dat was lang geleden. Wel vijf jaar sinds hij naar Afrika vertrokken was.

  • Heb je gevonden waar je naar op zoek was?
  • Ook goedemorgen! Ja, zat verhalen.
  • Ook verhalen over de dood? Die zoek ik namelijk voor mijn vriend.
  • O ja, zat verhalen over de dood. Allemaal verhalen over de dood, geen andere verhalen dan over de dood.
  • Fijn! Leuk voor mijn vriend! Vertel!
  • Waarom wil je vriend een verhaal over de dood horen?
  • Dat weet ik ook niet precies, vertel me er nou maar een.
  • Goed. Maar niet hier midden op straat. Laten we koffie gaan drinken in het wijkgebouw in de Burghardt van de Berghstraat. Dat is een aardige ambiance, met dat typische volk om ons heen: Bottendalers en werklozen. Gezelliger kan eigenlijk niet - nergens ter wereld, kan ik wel zeggen.

Zo spraakzaam, haast kletsgraag, had ik de oude man nog niet eerder meegemaakt.

  • Heb je soms psychedelische paddestoelen op?
  • En jij, ben je eigenlijk al wakker?

Brutaal was hij nog steeds. Een kop koffie wilde ik hem echter wel geven. Jan Lorskens, die pontificaal in de kantine bezig was, een arme werkloze goede raad te geven, verwijderde zich discreet. Maria van Oostveen hoefde van mij niet weg, zij kon van ons gesprek vast wel wilde dingen leren. Ik bedoel, zij kan dat wel gebruiken, eens iets anders te horen dan dingen die over belangenbehartiging gaan.

  • In Oeganda was het bijvoorbeeld echt, wat je noemt, raak. Over de dood. De wildste verhalen.
  • Oké. Kalm aan. Verslik je niet. Ik zal vragen of ze de muziek wat zachter zetten. (Nu ja, 'muziek'?).
  • Je kunt dit wel muziek noemen, vermits het gedruis van vallend gesteente soms ook zo genoemd wordt.
  • Je bent zeer wakker. Wil je niet liever thee?
  • Nee dank je, koffie is prima. Ik voel me inderdaad zeer vitaal sinds mijn laatste wereldreis. Maar dat maakt verder niet uit, als jouw vriend een verhaal over de dood wil horen, dan vertel ik je er een.
  • Goed, goed, ik hou verder mijn mond. Ik luister ademloos naar je. Een momentje nog, ik pak even mijn pen.
  • Doe niet zo moeilijk. Je hebt toch je Tulip laptop bij je? Ik heb een floppy met speciale programmatuur en een heel sterk microfoontje. Ik zal het rechtstreeks in je laptop inspreken, die maakt er meteen tekst van.
  • Je bent wel bij de pinken, oude man. Installeer dat programma maar, ik leun wel achterover. Ik vergeet alles. Zo ben ik al helemaal vergeten waar ik naar op weg was.
  • Terecht toch? Je ziet mij niet zo vaak. Die Riagg-vent, daar kun je altijd nog naar toe.
  • Hoe weet je dat?
  • Oké, ik geef het toe. Magische paddestoelen. Zo, geïnstalleerd. Ik ga vertellen.
  • Brand los!

Nkango werd die morgen vroeg wakker. Hij had iets horen ritselen. Hij wreef de slaap uit zijn ogen. Zijn prachtige, jonge, mollige Mbabbaa lag nog heerlijk uit te slapen. Zijn allerliefste vrouw. Geen van zijn vrouwen was hem aangenamer om naast wakker te worden.

  • Wie daar? Vriend of vijand?
  • Ja, wat zal ik daar nu eens op zeggen? Ik ben de dood.
  • 'Ik ben de dood'! 'Ik ben een klootzak' zul je bedoelen.
  • Het een sluit het ander niet uit.
  • Je bent zeker een klootzak. Ik lag net zo lekker te slapen. Wat kom je hier doen? Verzin een ander smoesje. De dood is toch geen persoon, die mij iets kan zeggen. Je maakt je schuldig aan reïficatie, als je het mij vraagt.
  • Ach, u heeft gestudeerd, merk ik. Ik herken meteen... professoren heb ik ook reeds vele malen opgehaald, namelijk...
  • Nu goed, áls je de dood bent is dat logisch. Maar nogmaals, aan een abstract begrip kan men geen persoonlijke attributen, zoals het kunnen spreken, toeschrijven.
  • Oké, filosoof. Ik besta misschien niet. Maar ik bén er wel!
  • Gesteld dat ik je daar, heel voorlopig, gelijk in geef. Wat, in dat hypothetische geval, kom je hier doen?

Op dat moment kreunde Mbabbaa zachtjes, terwijl zij zich half tegen hem opwierp. Nkango werd er helemaal week van. Hij begon zich steeds meer te ergeren aan de ongenode gast van vanmorgen. Zonder er bij na te denken nam hij zijn vijf duims metende steekmes van onder zijn kussen.

  • Nog eens vraag ik je, wat kom je hier doen? Ik hoop voor jou, dat je een goed antwoord hebt!
  • Ach nee. Je wilt me bang maken? Je bedreigt me? Met de dood? Ik lach me rot om jou.
  • Ja, dan zul je zelf wel de dood zijn. Dit is ook een antwoord.
  • Je denkt wel goed na voor iemand die net wakker is. Pas maar op dat je niet sterft van vermoeidheid!
  • Waar ik niet over nadacht meen ik nog steeds, en dit is de grootste waarheid waar we mee te maken hebben op dit moment: dat jij een enorme klootzak bent. Rot toch op man, je verveelt me ontzettend!
  • Je weet werkelijk niet wat je zegt. Je zult nog anders piepen. Niet dat ik nu bang van je ben - hoe zou dat ook kunnen? Maar ja, ik verveel me de laatste tijd nogal hevig - mijn leven is erg saai. Je snapt dat misschien wel, ga maar eens na: ik die de dood ben, kan niet doodgaan. Op den duur onbeschrijflijk vervelend.
  • Kennelijk is het gras van de buren ook in dit geval altijd groener. De meeste stervelingen benijden je juist om je eeuwige leven.
  • Als dat eeuwige leven nu leven was! Maar het is geen leven.
    Je zult het wel merken. Want vanaf vandaag ruilen wij van plaats, stel ik voor.
  • Je bedoelt:... Nee toch?
  • Jawel. We kunnen ruilen. Dan krijg jij mijn zeis, en ik jouw Mbabbaa (laat de rest van je vrouwen maar zitten, door de grond zakken, enfin verzin maar iets).
  • Daar moet ik toch nog eens goed over nadenken.
  • Het is anders: nu of nooit.
  • Oké, vooruit dan maar. Mbabsje is wel leuk en zalig, maar iedere ochtend de kans lopen dat jíj langskomt... dan kan ik nog beter jou zíjn.

In een flits was het gebeurd. Nkango en de dood hadden elkaars plaats ingenomen. De dood rekte zich nog eens uit en stootte Mbabbaa zachtjes aan. Nkango merkte tot zijn afgrijzen dat hij onwillekeurig naar de andere, grote tent werd gedreven waar al zijn acht andere vrouwen sliepen. Een kleine aardbeving deed een flinke scheur in de grond ontstaan, waar de vrouwen een voor een in weggleden. Zonder een kik gaven zij de geest.

De dood had vanaf dat moment de tijd van zijn leven. Ook voor Mbabbaa was het fijn, want de dood heeft geen last van neurose of vervelende remmingen.

Nkango had aanvankelijk nog wel een zekere lol in zijn nieuwe functie. Nadat hij enige miljoenen mensen tot hun uiteindelijke bestemming had gevoerd (en dat was al heel gauw hoor) kreeg hij er echter behoorlijk genoeg van. Het was inderdaad een rotleven. Als dat eeuwig zo door moest gaan!

De dood werd die morgen vroeg wakker. Hij had iets horen ritselen. Hij wreef de slaap uit zijn ogen. Zijn prachtige, jonge, mollige Mbabbaa lag nog heerlijk uit te slapen. Zijn allerliefste vrouw.

  • Wie daar? Vriend of vijand?
  • Ja, wat zal ik daar nu eens op zeggen? Ik ben Nkango!
  • Aah! Je wilt zeker terug ruilen?
  • Nou, heel graag meneer.
  • Oké. Ik hoop dat je je lesje geleerd hebt.
  • Ja dood. Ja meneer. Heel erg veel berouw heb ik, meneer de dood. Ik zal voortaan altijd 'u' tegen u zeggen en nooit meer lelijke woorden gebruiken.
  • Dat hoor ik graag. Lijkt me ook volkomen terecht.

En weer in een flits, zonder dat er verder iemand wat van merkte, wisselden Nkango en de dood van plaats.

Nkango en Mbabbaa kregen zeven zonen en drie dochters. Hun kinderen kregen maar één levensles mee van Nkango, die sinds zijn avontuur in een keer helemaal grijs was geworden:

"Wees altijd beleefd tegen de dood. En houd zoveel mogelijk afstand van hem!"

 

  • Oké, oude man. De computer begint te biepen, zit zeker vol nu. Hoop dat straks thuis de uitdraai goed gaat.
  • Ja zal wel, vast wel, natuurlijk wel.
  • Nog een kop koffie?
  • Nee, dank je, die koffie komt me zo onderhand de oren uit.
  • Je hebt het wel snel verteld.
  • Ja, ik dacht, je kunt het zo altijd nog rustig overlezen.
  • Dat is dan maar gelukkig ook, want in de afgelopen vijf minuten heb ik eigenlijk niet meer van je gehoord dan een soort zaagtandfrekwentie.
  • Voor je computer is dat echt geen probleem.
  • Fantastisch wat jij allemaal kunt als je psychedelische paddestoelen genuttigd hebt!
  • Deze techniek is wel leuk voor die Riagg-vent ook. Je hoeft nu immers nog maar zeven minuten te laat te zijn.
  • Nou, ik ga denk-ik niet meer, want waarom zou ik, nu ik van jou deze zeer wijze les heb gehoord?
  • Dat mag je hopen.
  • Maar, zo ken ik je toch? Nee, nu heb ik helemaal geen therapie meer nodig.
  • Heel fijn voor jou, hopelijk zal je vriend hetzelfde zeggen.
  • O, vast wel.
  • Het psycholoogje moest maar eens een vák gaan leren.
  • Zoals verhalenverzamelaar?
  • Bijvoorbeeld.

Nijmegen


maart 1996