Alex

hij pakt zijn geweer en schiet

 

Lagere school. Ik bemoei mij met niemand op het plein. Niemand bemoeit zich met mij. Van een keer herinner ik me dat het geprobeerd werd - ik stond tegen de muur, iemand benaderde me, ik hield als gewoonlijk mijn mond stijf dicht. Hij begon op mijn wangen te kloppen met twee handen tegelijk. Het enige dat hij bereikte was, dat hij onwillekeurig een beetje speeksel over zich heen kreeg. Dat was dat en daar is het bij gebleven. Ik was een jongetje van ijs, waar niemand vat op kreeg. Rudy en Robbie. Zo heetten twee jongens die ooit het vriendje zijn geweest waar ik samen mee naar huis liep. Ik weet niet meer wie het eerst als zodanig in mijn leven kwam, of hoe lang het in elk van beide gevallen duurde. Mijn koelheid gaf in die jaren sommige vreemdelingen het gevoel, veilig bij mij hun hart uit te kunnen storten. Een keer een meisje dat met me opliep over het veldje. Ze had een probleem met plassen en vertelde me dat. Dat was de enige keer dat ik met een vreemd meisje gesproken heb in die tijd.
Wat niveau voor mij had, dat was op de Sint Antoniusschool, een echte volksschool, niet aan te treffen. Ik zat mijn tijd dromend en denkend uit. Daar raakte ik heel bedreven in. Ook thuis was ik een dromend en denkend eilandje. Ik doe hier niet aan mee, dacht ik bij uitbarstingen van oppervlakkige lol. Mijn hoogtijdagen waren... de hoogtijdagen. Als de kleintjes hun kwebbel hielden, de tafel plechtig en rijkelijk gedekt was, kaarsen werden ontstoken en op de draaitafel een stuk klassieke muziek ten gehore werd gebracht. De wereld was dan dik in orde voor mij, ook al baalden mijn zusjes. Mijn vader dacht dat ik pater zou worden. Dat dacht ik zelf ook een tijdje.

Middelbare school. Na de brugklas werd gymnasium B gekozen. Tot in de derde, waarin ik doubleerde, was ik erg teruggetrokken, maar die positie beviel me steeds minder - het was nu pure verveling op school. De leiding heeft toen gemeend mij lui en arrogant te noemen en liet me dat derde schooljaar overdoen, zodat er qua leerstof helemaal niets meer aan was. Bijna zonder iets uit het hoofd te leren toch voldoendes halen voor topografie en stamtijden, dat was me doorgaans steeds gelukt en dat bleef me goed afgaan. Het wezenlijke had ik al lang thuis opgedaan. Mijn vader was zoon van een hoofdonderwijzer en werd in familiekring wel de wandelende encyclopedie genoemd. Mijn drie oudere broers bezochten allemaal het gymnasium of de HBS - zij vertelden `s-avonds aan tafel honderduit over wat ze leerden.

Toen kwam ik in de nieuwe klas die dit jaar de derde was. Ik zocht naar een lege plaats naast iemand. Ik maakte bliksemsnel een keuze en zo kwam Alex in mijn leven.
Een bullebak in de klas, de schrik van zijn slachtoffers, agressief, kortom een jongen zoals ik die gewoon was te mijden. Maar we mochten elkaar in een ogenblik en sloten de vriendschap die ons in staat zou stellen het eindexamen te halen. Het mengsel van onze karakters was zeer vitaal, levensvatbaar, succesvol, het had allure.
Wij kwamen in elkaars leven als eerstelingen: voor elkaar de eerste vriend waar je respect voor had. De eerste echte vriend in je leven. Ik ben nog steeds verbaasd als ik eraan denk hoe tussen ons alle gebruikelijke afwijzing van iemands anders zijn verstomde, hoe we elkaar geheel aanvaardden. Deze verbazing is niet geheel vrij van wroeging, want mijn grommende vriend ging behoorlijk ver in zijn verbale pesterijen, gericht tegen jongens die het toch al niet gemakkelijk hadden in onze klas. Ik zag nooit dat hij iemand werkelijk aftuigde, maar remde hem bij zijn kwalijke pestpraktijken toch wel minder af dan ik eigenlijk behoorde. Moeilijk. Sommige slachtoffers hadden wellicht meer op met Alex` benadering dan met die van mij. Ik pestte nooit iemand, maar was sterk in het mensen straal negeren. Dat mag toch ook wreed genoemd worden, vooral tegenover die zelfde jongens, die het toch al zo moeilijk hadden.
Elkaars rolmodel waren we maar in beperkte mate. Dat ik ooit zakenman, Alex ooit dichter of filosoof zou worden, geen haar op ons hoofd om dat te denken. Nee, doe jij nou maar waar jij goed in bent, dan doe ik waar ik goed in ben. Ook al voldeden we noodgedwongen aan dezelfde leerstofeisen van school, we zouden het leven heel anders tegemoet gaan treden.
Alex had een eigenaardige manier om zijn bekken te kantelen, wat het meeste opviel als hij stond. Zijn geslacht kwam geprononceerd naar voren. Het viel mij op als een afwijking, dan weer als iets genants. Precies tegengesteld was mijn eigen neiging om mijn geslacht juist terug te trekken.
Alex droeg een baard, had een normaal postuur, was zeker niet dik, vrij sterk. Donkere kleren en schoenen, vettige bril, beetje morsig. Voor een man opvallend dikke lippen, al stond zijn mond zeker niet vrouwelijk. Alex had vrienden en vijanden. Hij was meer vertrouwd met het omgaan met de laatsten dan met de eersten. Als hij vocht was hij volkomen op zijn gemak, maar o wee als hij iemand aardig vond en respecteerde, dan beefde hij als een rietje, was hij zenuwachtig zoals iemand die met plankenkoorts te kampen heeft.
Hij bewonderde mijn moeder. Toen ik in Schijndel logeerde tijdens de eindexamentijd, dronk moeder met hem dagelijks koffie.

Onze vriendschap was niet helemaal zonder problemen, tijdens die vier gymnasiumjaren dat we naast elkaar zaten - met zijn twee-en achter hetzelfde tafeltje. We maakten een ernstige crisis mee toen het driemanschap ontstond, ook wel triumviraat genoemd, der heren Jos Prins, Alex Oud en Michael Mak. Deze laatste, leraarszoon en aartsengel, zou bijna verraad in ons midden hebben gebracht.

Hij had een knap uiterlijk, maar was verder een saaie jongen. Hij bracht een element in waar Alex wel trek in had: met zijn drie-en een dronken tocht door den Bosch maken en over de autobanden pissen bijvoorbeeld, je eens als miniballen uitleven, je op het studentenleven voorbereiden. We hebben dat gedaan. Ik moet bekennen dat ik genoten heb. Voor eens een keer? Heerlijk!

Op een keer dong Michael naar mijn positie bij Alex. Hij had wat klasgenoten gemobiliseerd, waar hij mee bevriend was en met wie hij een spreekkoor vormde, een rei als het ware. Hun collectieve boodschap werd op mij overgebracht door mijn baarddragende vriend - ja, het ging er allemaal heel klassiek en Odyssee-achtig aan toe - en die boodschap betekende niet veel goeds. Ik stond beneden in de woonkamer toen Alex het me vertelde, wat ongebruikelijk was want ik ging met Alex altijd meteen naar mijn kamer. Het was een serieuze mededeling, in ieder geval een die buiten de orde van het gewone viel.

- We, eh, ze, ze vinden jou allemaal te, eh, je doet niet mee!..., je drukt je te zeer!..., eh, veels te passief!, zei Alex.

Het hoge woord was eruit. Men pikt dit niet meer van jou! En of ik daar eens over na wou denken. Exit Alex, de baarddragende vriend.
Ik stond perplex. Ik wankelde, maar hij was al weg. Ik stond alleen in de schemerige kamer. Ze probeerden me te wippen. Ik zou ze dood negeren, zoals mijn moeder mij geleerd had te doen met paardevijgen (zo noemde zij, zoals ook haar moeder gedaan had, verachtelijke lieden). Alex zou mij toch niet laten vallen. Ik besteedde er verder geen aandacht aan, praatte er gewoon met niemand over. Het zou vanzelf wel over gaan.

Het had een typische overeenkomst met wat de leraren op een schoolavond tegen mijn ouders hadden gezegd, zo lag ik er `s avonds in mijn bed nog over te tobben. Hij doet niet mee, leeft in zichzelf teruggetrokken, hadden zij gesteld. Even later, nu een jaar geleden, doubleerde ik. Was dat soms bedoeld geweest als een soort schop-onder-de-kont benadering? Een voorloper voor jeugdigen van de elektroshock bij zwaar depressieven, of de isoleercel bij wild geworden gekken, of het concentratiekamp voor andersdenkenden? Zij, de leraren, hadden mij niet lang geleden hun achterlijke bruutheid gedemonstreerd en daarmee meteen aangetoond hoe weinig kans er was, dat woorden uit hun mond waarheid zouden bevatten. Het geweld van hun daad had de waarde van hun woorden tot onder de grond doen zinken. Kom mij niet nogmaals aan met deze vuilgebekte woordenstront! Zoiets had ik toen, ik stond niet echt open voor hun kritiek als zou ik asociaal zijn, een dromer, te arrogant... Allemaal ontmaskerde leugenaarswoorden van laagstaande figuren die hun gezag schandelijk hadden misbruikt. Ik was getroffen in het diepst van mijn rancuneuze ziel.
Alex liet me echter niet vallen. Hij redde mijn rancune. Zo heeft de morrende meute die zich achter de aartsengel dreigend had opgesteld, teleurgesteld en vernederd af moeten druipen. Tussen Alex en Michael was de vriendschap uit. Michael interesseerde mij trouwens helemaal niets - ik had hem altijd al een onbeduidende figuur gevonden.

Ik kon voortaan hun domme conversaties weer uit de weg gaan, mij op mijn heerlijk eiland isolerend waar weinig gasten kwamen, misschien maar een. Letterlijk een eiland: meestal ging ik een raam verder op de gang staan dan het klaslokaal waar we les kregen. Alex verdeelde zijn tijd tussen vasteland en eiland. Op ons eilandje waren wij de senaat van Rome. Laat Alex maar haantje pik spelen met het domme volk, ik heb belangrijkere zaken aan mijn hoofd, zoals een beetje nadenken over de wereld, over de school en over genieën - over mijn roeping en toekomst, en dergelijke meer, dacht ik als ik op mijn eentje was.
Ik heb het nog niet over de meisjes gehad: Alex en ik, we gingen heel verschillend met ze om. Dat bleek al als je ons met onze zusjes meemaakte. Kat en hond waren Alex en zijn iets jongere zus. Cathrien en ik daarentegen gingen gemoedelijk en vertrouwelijk met elkaar om. Kat en hond werden bij ons al voldoende door vader en moeder gespeeld. Ook wel door Evert en Maria trouwens. Maar Alex` vader was al vroeg overleden, zijn twee oudere broers waren het huis uit; hij had dus een iets andere positie. Zijn moeder was onderwijzeres, een eenvoudige vrouw en ze was erg aardig tegen hem, viel mij op. Ik at, als ik daar was, beleefd mijn koekje op en dan verdwenen we naar boven.
Erop of eronder, zo bekeek Alex het. Een meisje versieren was, haar eronder krijgen. Zo praatte hij er graag over. Nooit zonder minachting - zowel voor meisjes, als voor de hele aangelegenheid van seks en hofmakerij. Ik geloof dat je zijn houding in die tijd wel een machohouding kon noemen. Voor ons beiden was dit een tijd van ontdekkingen, evengoed. Ervaringen uitwisselen - alsof jongens niet over meisjes roddelden! Het spannendste van alles was en bleef het met elkaar erover praten, erover pochen in onze jongensklas. Het was goed voor onze positie dat we er vroeg bij waren. Dat ik inderdaad reeds op mijn zeventiende in de liefde werd ingewijd was wel niet iets waar ik zelf echt naar verlangd had, maar dat viel niet meer terug te draaien. Ik was Alex in principe toch heel dankbaar dat ik zijn meisje over had kunnen nemen.
We hadden een tedere verhouding met elkaar, hij en ik. In principe stond dit los van de rollen die de schoolklas ons zag spelen. Hij gaf bescherming, ik kreeg de ruimte. Ik geloof niet dat we elkaar ooit hebben aangeraakt. Ook stoeien deden we nooit, zelfs met elkaar voetballen leken we doelbewust uit de weg te gaan. Als we al niet beiden een grondige hekel aan sport hadden gehad. Zich in lichaamskracht met elkaar meten zou onzinnig zijn, we namen het zonder woorden aan.

Het eerste studiejaar psychologie was gezellig met mijn mentorgroep, ideaal aangevuld door mijn weekendhuwelijkachtige relatie met Antje, en Alex woonde vlak onder mij in het pand aan de St. Annastraat. Hij had deze kamers voor ons gevonden. Ik tekende met verschillende kleuren viltstift, op zijn speciale verzoek, grillige patronen op zijn behang en liet in de hoeken volgens zijn opdracht zwarte zuilen verrijzen. Erg veel verder kwam ik helaas niet, want ik had het te druk voor al dat gepriegel. Ik schilderde mijn eigen zolderhok in donkerbruin en oker, beplakte de wanden met zilverpapier en affiches van een Egyptisch reisbureau en veranderde de kamer in iets, dat in weinig meer leek op de frisse, witgeschilderde vertrekken van op school en thuis. Kortom: alles in de fameuze, pretentieuze hippiestijl. Na dit jaar, vanaf mijn verhuizing naar boven de slager - en schoor Alex ook niet ongeveer in die tijd zijn baard af? - was de vriendschap zoals we die op het gymnasium hebben gekend met elkaar, voorgoed voorbij.

JH Croonen oktober 1995