Lezende Titus

Ik had hem alle woorden leren lezen 
En zware boeken leren openslaan. 
Mijn kleuren droeg hij kleurloos in zijn wezen. 
Hij was te bleek. Zo ging hij hiervandaan. 

Altijd goedhartig, is, waar wíj nog vrezen, 
Híj, hemeling, met onze vrees begaan. 
Hij zou wel onze voorspraak willen wezen 
Bij eng'len die ons mensen gadeslaan. 

Dus leest hij boeken, steeds nog, en zijn ogen 
Zijn groot van zorglijkheid om wat hij las 
Over de zielen die naar hun vermogen 
En hun tekorten worden afgewogen. 
Over zijn vaders zondenboek gebogen 
Is hij zo bleek als toen hij hier nog was.