Ziekenbezoek

 

Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee, toch niet,
je moet het maar eens proberen.

 

Ik slaap

 

Ik slaap, maar mijn hart slaapt niet.
Daar klopt mijn lief:
doe open mijn zusje mijn duifje
mijn haren zijn nat van de dauw.

Ik heb mijn hemd al uitgetrokken
hoe trek ik het weer aan zo gauw?
Ik heb mijn voeten al gewassen
moet ik weer op de grond gaan staan?

Toen stak mijn vriend zijn hand door de deur
mijn binnenste kreeg opeens een kleur
ik ben toen opgestaan
om mijn liefste binnen te laten.
Ik trilde van het willen
het was of het slot van de deur
in mijn hand smolt tot een geur.

Maar toen ik open deed
was hij er al vandoor.
Ik ging hem achterna
ik hoorde zijn woorden aldoor
ik was mezelf niet meer
zijn woorden klonken maar door.

Ik zocht hem overal
maar vond hem nergens meer
ik riep de hele tijd
maar kreeg geen antwoord meer.

Wachters die in de stad
de ronde doen, ontdekten me.
Ze waren kwaad, ze sloegen
schopten en sarden me.
De wachters op de muren
scheurden mijn sluier aan flarden.

Ik zeg jullie met klem
Jerusalemse meisjes
als je mijn liefste ziet
Zeg hem dan dat ik ziek ben
Ziek van verlangen naar hem.

 

Judith Herzberg, uit: Doen en Laten, 1994 (p.127)