Borborygmes

 

Mijlen leg ik soms af
snachts in dit grote huis,
sluipend om niemand te storen
als ging ik uit roven en moorden
terwijl ik integendeel vlucht
voor wat zich zo geducht voordoet
in nissen, achter ramen,
het meest nog in mijn hoofd
dat maar niet thuis wil raken.

Soms blijf ik doodstil staan,
luisterend naar de schijf
die wentelt in de meterkast,
de borborygmes van mijn darmen,
tot ik terugkeer naar de warme
keuken, waar ik nog stiller stap
om de vier katten niet te storen.
Toch komt er een naar voren,
rekt zich en loopt met hoge staart
mijn broekspijp tegemoet.
Ik noem heel zacht zijn naam,
hij antwoordt met gespin.
Ik ben bevrijd, laat hém de nanacht in.

Uit: Wat blijft komt nooit terug

Amsterdam: Arbeiderspers, 1979.