Dutch Mistress

A hotel in whose ledgers departures are more prominent than arrivals.
With wet Koh-i-noors the October rain
strokes what's left of the naked brain.
In this country laid flat for the sake of rivers,
beer smells of Germany and the seaguls are
in the air like a page's soiled corners.
Morning enters the premises with a coroner's
punctuality, puts its ear 
to the ribs of a cold radiator, detects sub-zero:
the afterlife has to start somewhere.
Correspondingly, the angelic curls
grow more blond, the skin gains its distant, lordly
white, while the bedding already coils
desperately in the basement laundry.

1981

 

 

GROTE ELEGIE VOOR JOHN DONNE

 

John Donne is dood en alles slaapt rondom.
De muren, vloer, het bed, de schilderijen,
de tafel slaapt, de kleden, het plafond,
de linnenkast, de kaarsen, de gordijnen.
De fles, de kopjes, schalen. Alles slaapt.
Brood, broodmes, porcelein, kristallen glazen,
het nachtlampje, de lakens, kast, de vaat,
trap, deuren, alles is in nacht verzonken.
Nacht overal: in brandhout, kolen, roet
in de gedoofde haard, in alle dingen.
In hoeken, ogen, klokken, beddegoed,
in de voltooide preek, diens woorden, zinnen.
In spiegel, bed, de stoel, de dekenkist,
in hemden, laarzen, sokken, kousen, schaduw,
een schaal nogmaals, het kleed, de crucifix,
de bezem bij de deur. Alles is ingeslapen.
De wereld slaapt. Het raam. De sneeuw op straat.
Het dak hiernaast, wit als een tafellaken.
Het houtsnijwerk. Alles in diepe slaap.
De buurt is doodgesneden door de ramen.
De bogen, muren, vensters, het plankier,
de kinderhoofdjes, tralies, bloemenperken.
Nergens een licht, een lamp, er piept geen wiel...
De gevelstenen, spijlen, ketens, hekken.
De sloten slapen, grendels, sleutels, haak.
De deuren slapen, deurkrukken, de stijlen.
Doodstil, niets fluistert, ritselt, kraakt.
Alleen de sneeuw. De nacht weet van geen wijken.
De kerkers slapen, het kasteel, de burcht.
De kramen op de markt. De varkensrompen.
De kettinghonden zijn in diepe rust.
De kelderkatten slapen, zachtjes ronkend.
Muizen en mensen slapen. Londen slaapt.
Het zeilschip in de haven slaapt. Het water
onder de romp kucht zachtjes in zijn slaap,
en ook de hemel zal voorlopig niet ontwaken.
John Donne is dood. De zee is dood met hem.
De krijtrotsen aan zee zijn ingeslapen.
Het eiland slaapt, geheel door slaap omhelsd.
En elke tuin zit achter zeven sloten.
De dennen slapen, sparren, eikenbossen.
De bergen, hellingen, de beken en hun golven.
De beer slaapt diep. De wolf slaapt en de vossen.
De ingang van hun hol is onder sneeuw bedolven.
De vogels slapen. Nergens klinkt hun zang.
Verstomd de kraaiekreet, het nachtelijk
uilegelach. Verstomd heel Engeland.
Enkel een ster. Een muis schiet bangelijk
voorbij. De wereld slaapt. De doden slapen
zacht in hun kist. Wie leeft slaapt in zijn bed,
gedompeld in de zee van zijn pyjama.
Alleen. En diep. Tegen elkaar, getwee.
De wereld slaapt. Rivieren, bergen, wouden.
De dieren, vogels. Al wat levend is of dood.
En slechts de sneeuw daalt uit de nachtelijke koude.
Maar ook daarginds slaapt men, boven ons hoofd.
De engelen. De heiligen vergaten
het aards gewoel. De slaap maakt hen te schand.
Gehenna slaapt. Het Paradijs is ingeslapen.
Op dit uur zwerft er niemand door het land.
God slaapt. De aarde draait ook zo wel door.
Het oog ziet niets, het oor vangt geen geluiden.
De duivel slaapt. Van vijandschap geen spoor;
die slaapt in Engelands besneeuwde ruimten.
De ruiters slapen. De aartsengel met de bazuin.
De paarden slapen, met hun hoeven schrapend.
En heel de meute cherubijnen in de kruin
van de Sint-Paul omarmt elkander slapend.
John Donne is dood. En zijn gedichten slapen.
Elk beeld en alle rijmen, liggend, staand.
En stil verborgen in de lettergrepen
slapen de zonde, de melancholie, de waan.
En elke versregel fluistert de ander,
zijn naaste broeder, toe: Ga wat opzij.
Maar zo ver van het Paradijs is ieder,
zo arm, zo rein, dat zij een eenheid zijn.
De regels slapen. Strenge rijen jambes.
Trocheeën slapen links en rechts op wacht
met visioenen van de Lethe in hun armen.
En ook de roem in het verschiet slaapt zacht.
Ellende, rampen, leed, het ligt te slapen.
De ondeugd slaapt. Goed broederlijk naast kwaad.
Profeten slapen. Grauwe sneeuw zoekt naarstig
het kleinste stukje onbedekte aard.
De wereld slaapt. De boekenmassa's slapen.
't IJs der vergetelheid bedekt de woordenstroom.
De waarheid slaapt in talrijke toespraken.
De ketens slapen. Hun rammelen klinkt loom.
Iedereen slaapt. God, heiligen, de duivel.
Hun dienaren, hun vrienden en hun kroost.
Alleen de sneeuw ruist in het diepe duister.
En geen geluid wordt op de aarde nog gehoord.
Maar sst! Hoor je! Daar in het donkere veld,
dat doodsbange geweeklaag en gefluister.
Daar is iemand aan 't vriesweer blootgesteld.
Hij weent. Daar is iemand in het duister.
Zijn stem is dun. Zo dun, precies een naald.
Maar zonder draad... En zo onzegbaar eenzaam
ploetert hij door de sneeuw. Alles is koud en kaal...
Daarboven rijgt hij dag en nacht te zamen.
'Wie huilt daar zo? Ben jij dat, engel mijn?
Wil je terug, zoek je mijn liefde, als de zomer,
onder sneeuw? In duisternis ga je voorbij.
Ben jij dat, die zo roept, daar in het donker?'
Geen antwoord. 'Of zijt gij het, eng'lenschaar?
Het roepen leek wel wat op droeve koorzang.
Hebt gij mijn ingeslapen kathedraal
opeens verlaten. Zeg dan wat!' Geen antwoord.
'Of jij, Sint-Paul, jij soms? Hoewel je stem
toch grover is door al dat redevoeren.
Heb jij je grijze hoofd in duisternis gewend
en ween je daar?' Al stilte wat ons toewaait.
Heeft niet die hand de blik bedekt in 't donker,
van hem die hier alom aanwezig is?
'Zijt gij het, Heer? Of is dit pure nonsens?
Maar 'n al te hoge stem hoort men hier wenen.'
Geen antwoord. Stilte, - 'Jij dan, Gabriël?
Blies jij op de bazuin, of hoorde ik honden blaffen?
Zie toch, de ruiters springen in het zadel,
maar buiten mij is niemand hier al wakker.
Alles slaapt vast. Omhelsd door duisternis.
De meute honden daalt al uit de hemel.
Ben jij het Gabriël, die daar, omdat het winter is,
met je bazuin in 't donker zit te wenen?'

'Nee, nee, ik ben het, ik, jouw ziel, John Donne.
Hier in de hemel treur ik heel alleen,
omdat ik op aarde niet anders scheppen kon
dan loodzware gevoelens en ideeën.
Jij kon met deze last je hoge vlucht,
langs hartstocht, zonde en nog verder maken.
Jij was een vogel en vanuit de lucht
zag jij je volk, geheel, op alle plaatsen.
Je zag de zeeën, alle verre landen.
Je zag de Hel, in je en om je heen.
Het Paradijs vol zon, maar ook met randen
waar altijd de droefgeestigheid door scheen.
Je zag: het leven is gelijk je eiland.
Je stuitte tevens op die Oceaan:
overal duister, duisternis, geweeklaag.
Je bent bij God geweest en weer teruggegaan.
Maar door die last kom je nooit hoog genoeg
om slechts rivieren en een handvol torens
te zien, om op de aarde neer te kijken van zo hoog
dat je haast niet bang bent van de dag des oordeels.
En ook het weer verandert nooit, daar in dat land.
Vandaar lijkt alles net een mooie koortsdroom.
De Heer is slechts een lichtje in de nacht,
vandaar gezien, in 't verste huis aan de boszoom.
Er zijn daar velden. Maar ze liggen braak.
Ze liggen braak al jaren en al eeuwen.
Door dichte wouden worden ze bewaakt,
en in het manshoog gras danst slechts de regen.
Die eerste houthakker, wiens magere paard
er bang voor uit het struweel komt aangelopen,
ziet, in een den geklommen, plotseling een vuur,
daar ver, verweg in het eigen dal ontstoken.
Alles is ver. Dichtbij is alles vaag.
De blik glijdt rustig over verre daken.
't Is hier zo licht en stil. Geen hond die blaft,
en ook de klokken lijken geen geluid te maken.
En hij begrijpt: alles is ver. Naar 't bos
wendt hij met bruuske ruk zijn rijdier.
En teugels, slede, paard, hijzelf - terstond
verandert alles in een droombeeld uit de bijbel.

En ik, ik ween, ik ween, er is geen weg.
Ik zal terug moeten naar gindse stenen.
Levend terug te gaan, echter, is mij ontzegd.
Slechts dood zal ik daar ooit weer heengaan.
ja, ja, alleen. Vergeten moet ik jou,
mijn dierbare, die ligt in koude aarde,
en dan mijn vruchteloos verlangen achterna
om met Mijn vlees de scheiding dicht te naaien.
Maar hoor, terwijl ik met mijn jammerklacht
jouw rustplaats verontrust, valt in het duister
gestaag de sneeuw die onze scheiding hecht
en die zijn naald geen ogenblik laat rusten.
jij, jij bent het die weent, niet ik, John Donne.
je ligt alleen. En alle kasten slapen,
terwijl de sneeuw op 't slapend huis neerkomt,
terwijl de sneeuw van ginder neer blijft dalen.'

Gelijk een vogel slaapt hij in zijn nest,
zijn zuivere pad en dorst naar beter leven
voor altijd toevertrouwend aan die ster
die nu onzichtbaar is achter de nevel.
Gelijk een vogel. Zuiver is zijn hart,
maar toch, hoe zondig misschien 's werelds wegen,
ze zijn natuurlijker dan een kraaienest
boven de lege nestkastjes van grauwe spreeuwen.
Gelijk een vogel zal hij ontwaken met het licht.
Bedekt is hij nu door een witte wade,
terwijl door sneeuw, door slaap de naden zijn gedicht
die tussen ziel en slapend lichaam gaapten.
De wereld slaapt. En twee, drie regels slechts
moeten nog af. Hun holle kaken smalen:
wereldse liefde is des zangers plicht,
de geest'lijke is het lichaam van de pastor.

Want op wiens rad men deze wateren ook giet,
het koren dat het maalt blijft toch hetzelfde.
Zijn leven kan men delen, ja, maar wie
zal ons de dood in willen vergezellen.
Een gat in 't weefsel. leder die dat wenst,
die komt en geeft een ruk. Van alle kanten.
Opnieuw een ruk. En slechts het firmament
neemt in het donker soms de naald in handen.
Slaap, slaap, John Donne, en trek het je niet aan.
je tabberd heeft verdriet, hij hangt vol gaten.
Maar dan opeens, achter een wolk vandaan,
de ster die nooit jouw wereld heeft verlaten.
 
 

1963 Joseph Brodsky

Vertaling Arthur Langeveld