Tuinman en Dood

De buil kan barsten, waarna het pas geeft op de buik
een tuintje aan te leggen dat zich vanuit de darmen
onderhoudt, opdat geen gras erover groeie,
zand desnoods geworpen met solide spade;

ook kan men prikkebeens jagen op iemands as,
met vlindernet en zwarte pandjesjas. De schimmen
zijn voor geen enkel gat te vangen,
als ze op de koude schouw bij kaarslicht staan

blijft het nu altijd Allerzielen. Maar waar ze zijn?
Ik graaf en graaf, ridderordes van rouw
aan rafelige mouwen: knoopsgaten, knooploos,

lege oogjes. Hoeveel keien moet ik nog zaaien
over de schouder in brakke grond, aller opstaan
verwachtend in plaats van bittere hagelslag?

ANNEKE BRASSINGA

 

Uit de bundel 'Huisraad', uitgeverij De Bezige Bij